Deze Conventie heeft de bescherming ten doel van het mariene milieu van de Noord-Oost Atlantische Oceaan (inclusief de Noordzee). De stoffenlijst van deze Conventie omvat verontreinigende stoffen waarvoor wordt gestreefd naar het stopzetten van lozingen, emissies en verliezen naar het milieu, uiterlijk in 2020.

Verdragspartijen van OSPARPrioritaire stoffen van de Oslo-Parijs Conventie zijn 15 landen die afwateren op de Noord-Oost Atlantische Oceaan, en de Europese Unie. Met de stoffenlijst levert OSPAR ook voor de Kaderrichtlijn Water (KRWKaderrichtlijn Water ) een bijdrage aan het bereiken van de goede milieutoestand. Daarbij is het streven dat in 2020 de concentraties van vervuilende stoffen zodanig zijn, dat geen verontreinigingseffecten optreden. Bovendien mogen de concentraties in vis en andere visserijproducten niet groter zijn dan de daarvoor geldende communautaire, of andere relevante, normen.
De uiteindelijke doelstelling van OSPAR is dat de synthetische stoffen op deze lijst niet meer in zee voorkomen. Voor de stoffen op de lijst die van nature voorkomen, is het einddoel dat de concentratie in zee niet boven het natuurlijke achtergrondniveau uitkomt.

Werkwijze van OSPAR

De OSPAR Commissie heeft ruim 400 stoffen geselecteerd en geplaatst op de "List of Substances of possible concern". Uit deze lijst zijn stoffen gekozen, waarvoor de Conventie met voorrang actie wil ondernemen: de "List of Chemicals for Priority Action". Voor deze stoffen heeft OSPAR achtergronddocumenten opgesteld. Daarin staat informatie over bronnen en routes waarlangs deze stoffen in het milieu komen en mogelijke maatregelen om de OSPAR doelstellingen te bereiken.

Wettelijk kader

Nederland is één van de Verdragspartijen van de OSPAR Conventie. De afspraken die binnen de OSPAR Conventie worden gemaakt, worden in Nederland geïmplementeerd in beleidsdocumenten en regelgeving. De OSPAR stoffen voor prioritaire actie zijn Zeer Zorgwekkende Stoffen.

Technische informatie

De List of substances of possible concern is rond 2000 opgesteld met gegevens uit een groot aantal databases. Op deze lijst staan stoffen waarvoor de toendertijd bestaande gegevens (veelal schattingen) aangaven dat ze persistent (niet/nauwelijks biologisch afbreekbaar in het milieu) én bioaccumulerend (ophoping van de stof in organismen) én toxisch (giftig) voor aquatische organismen zijn (zie ook PBT/vPvB). Ook staan op deze lijst stoffen die een vergelijkbare zorg voor het milieu geven (bijvoorbeeld hormoonverstorende stoffen).
De OSPAR doelstellingen zijn van toepassing op alle stoffen op deze lijst, als hun karakter van milieugevaarlijke stof wordt bevestigd.

In 2004 heeft OSPAR besloten verder alleen nog stoffen te prioriteren waarvoor het risico voor het zeemilieu onvoldoende aandacht krijgt onder EUEuropese unie-initiatieven (REACHRegistratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemicaliën > verordening en richtlijnen etc.). Op grond van hetzelfde principe is vervolgens ook de List of substances of possible concern herzien. Deze lijst was al geslonken tot ruim 300 stoffen door de verwijdering van stoffen die op grond van nieuwe informatie de drempelwaarden voor persistentie, bioaccumulatie en toxiciteit niet bleken te overschrijden. Bij de herziening van de lijst in 2007-2008 en in 2009-2010 zijn naar een sub-lijst verplaatst:

  • stoffen die niet meer op de markt zijn 
  • stoffen die reeds voldoende gereguleerd zijn in EU-verband of andere internationale kaders
  • stoffen die alleen intermediair zijn in chemische synthese (en daardoor het milieu niet zullen bereiken)

OSPAR focust zich op de resterende stoffen bij de verdere informatievergaring en bij haar inbreng in de implementatie van EU-regelgeving (Kaderrichtlijn mariene strategie, Kaderrichtlijn Water, REACH).